
Jurisprudentie
AR5203
Datum uitspraak2004-09-29
Datum gepubliceerd2004-11-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 04/00417
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-11-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 04/00417
Statusgepubliceerd
Indicatie
Doorbreking appelverbod; De kantonrechter heeft niet beslist op een gemotiveerd verzoek om aanhouding. Het hof is van oordeel dat de betrokkene door het door de kantonrechter behandelen en beslissen op de zaak buiten aanwezigheid van de gemachtigde van de betrokkenezodanig beperkt is in zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 EVRM, dat er plaats is voor doorbreking van het appelverbod. Zaak wordt niet teruggewezen naar de kantonrechter, maar wordt inhoudelijk door het hof behandeld.
Uitspraak
WAHV 04/00417
29 september 2004
CJIB 89056405557
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch
van 12 februari 2004
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De griffier van het hof heeft de gemachtigde bij brief van 7 juni 2004 afschriften van de gedingstukken toegezonden.
De gemachtigde heeft vervolgens aanvullende gronden ingediend.
De advocaat-generaal heeft daarop een schriftelijke reactie gegeven.
De zaak is behandeld ter zitting van 15 september 2004. De gemachtigde is niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. T.H. Pitstra.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan Euro 70,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt Euro 28,--. Op grond van het bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
3.2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene ondanks het appelverbod toch in zijn beroep dient te worden ontvangen, omdat de kantonrechter geen gevolg heeft gegeven aan meerdere, uitdrukkelijke verzoeken tot toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken en de kantonrechter ten onrechte het verzoek om aanhouding niet heeft gehonoreerd, waardoor de betrokkene niet in staat is geweest tot een behoorlijk inhoudelijk verweer.
3.3. Schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling, zoals schending van het beginsel van hoor en wederhoor, wettigt doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV. Indien de rechter niet op een aanhoudingsverzoek beslist of dit verzoek ten onrechte afwijst en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt, kan er (naar het oordeel van het hof) sprake zijn van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
3.4. In het beroepschrift tegen de inleidende beschikking verzoekt de gemachtigde om afschriften van de foto van de gedraging, het zaakoverzicht van het CJIB en eventuele processen-verbaal. In het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie klaagt de gemachtigde erover dat hij voornoemde stukken nog niet heeft ontvangen en hij herhaalt zijn verzoek tot toezending van afschriften van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Bij brief van 27 november 2003 is de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 20 januari 2004. Daarbij wordt vermeld dat de stukken tot
6 januari 2004 ter inzage liggen. Bij brief van 10 januari 2004 verzoekt de gemachtigde nogmaals om afschriften. De griffier van de rechtbank deelt de gemachtigde bij brief van 14 januari 2004 mede, dat kostenloze verstrekking van afschriften niet mogelijk is en wijst hem erop dat de stukken ter inzage liggen.
De gemachtigde verzoekt in zijn brief van 15 januari 2004 nogmaals om afschriften van de gedingstukken en om aanhouding van de behandeling ter zitting, omdat hij nog geen afschriften heeft ontvangen.
3.5. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter vermeldt dat de gemachtigde van de betrokkene niet is verschenen. Het proces-verbaal, noch de bestreden beslissing houdt een gemotiveerde beslissing in op het verzoek van de gemachtigde de behandeling van de zaak ter zitting aan te houden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat die niet is gegeven. Het hof is van oordeel dat de betrokkene door het door de kantonrechter behandelen van en het beslissen op de zaak buiten de aanwezigheid van de gemachtigde van de betrokkene, zodanig beperkt is in zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 EVRM, dat er plaats is voor doorbreking van het appelverbod. De klacht van de gemachtigde dat de kantonrechter ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan zijn verzoeken tot toezending van de gedingstukken kan in dit verband dan ook in het midden blijven.
3.6. Het hof zal derhalve de bestreden beslissing vernietigen en overgaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak.
3.7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 28,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) tot en met 10 km per uur", welke gedraging met een voertuig met het kenteken TX-RR-57 zou zijn verricht op 3 oktober 2002 op de Hondsruglaan te Eindhoven.
3.8. De gemachtigde ontkent niet dat met voormeld voertuig op de plaats en tijd als vermeld in de inleidende beschikking is gereden, maar hij betwist dat daarbij de maximumsnelheid is overschreden. De gemachtigde bestrijdt de betrouwbaarheid van het meetresultaat. Volgens de technische specificaties van het gebruikte meetmiddel, Gatso Radar 24, dient het meetmiddel parallel aan de wegas te zijn geplaatst en dient de meethoek 20 graden te bedragen ten opzichte van de wegas. Uit de foto zou blijken dat het meetmiddel verkeerd stond opgesteld, omdat de kentekenplaat van het voertuig zich niet bevindt binnen het gebied op de foto waarvan de uiterste begrenzingen worden gevormd door de loodlijn die vanuit het midden van de bovenzijde (het nulpunt) wordt getrokken (de nullijn), de lijn die onder een hoek van 20 graden vanuit het midden van de bovenzijde (het nulpunt) wordt getrokken en de onderzijde van de foto. Het meetresultaat moet derhalve worden geƫlimineerd.
3.9. De advocaat-generaal betwist niet dat de snelheid van het voertuig is gemeten met het meetmiddel Gatso Radar type 24.
3.10. Het bij voornoemd meetmiddel horend sjabloon voor tegemoetkomend verkeer is over de foto geprojecteerd. Dan wordt duidelijk dat de voorzijde van de auto en de kentekenplaat zich op de foto bevinden binnen de rasterlijnen van het sjabloon. Anders dan de gemachtigde wil, stelt de rasterlijn die vanuit het midden van de bovenzijde van het sjabloon schuin naar beneden loopt niet de meethoek van 20 graden ten opzichte van de wegrand voor. Het verweer van de gemachtigde mist derhalve feitelijke grondslag. Uit de plaats die het voertuig van de betrokkene inneemt ten opzichte van het over de foto geprojecteerde sjabloon blijkt dat de snelheid van het voertuig van de betrokkene is gemeten en niet dat van enig ander voertuig op de foto.
3.11. In hoger beroep voert de gemachtigde voorts aan dat hij ten onrechte niet is gehoord door de officier van justitie.
3.12. Ingevolge art. 7:16 Awb in verbinding met art. 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie indien de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, de indiener van het beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in art. 7:17 Awb worden afgezien, indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is dan wel wanneer de indiener van het beroep heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.
3.13. In het beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft de gemachtigde verzocht om te worden gehoord door de officier van justitie. Uit de beslissing van de officier van justitie blijkt niet, dat er sprake is van kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid van het beroep als bedoeld in art. 7:17 Awb. Bij de stukken bevindt zich een brief d.d. 10 februari 2003 aan de betrokkene waarin hij wordt uitgenodigd voor een hoorzitting van de officier van justitie op 24 februari 2003. Ten onrechte is de uitnodiging niet overeenkomstig art. 6:17 Awb naar de gemachtigde verzonden. Gelet hierop heeft de officier van justitie ten onrechte het bepaalde in art. 7:16 Awb niet in acht genomen (vgl. Hoge Raad 8 juli 1997, VR 1998/21).
3.14. Niettemin hoeft voormeld verzuim niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie te leiden. Ingevolge art. 6:22 Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
3.15. In aanmerking genomen dat de gemachtigde behoorlijk voor de zitting van het hof is opgeroepen, dat de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaande aan de zitting ter inzage hebben gelegen, dat in de hoger beroepsprocedure het zaakoverzicht en de foto's alsnog aan de gemachtigde zijn toegezonden en hij van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt daarop te reageren, kan de beslissing van de officier van justitie in stand worden gelaten, nu niet gezegd kan worden dat de betrokkene daardoor wordt benadeeld.
3.16. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond
Dit arrest is gewezen door mr. Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

